Vuile meters

Als je net zoveel podcasts en nabeschouwingen van voetbalwedstrijden kijkt en luistert als ik (vermakelijker dan de wedstrijden zelf, vind ik eigenlijk, maar dat terzijde), dan ben je vast en zeker bekend met de term ‘vuile meters’. Voor de niet-ingewijde lezer: vuile meters zijn de sprintjes die spelers trekken die niet direct resulteren in een sliding of een doelpunt. In een goed draaiend team doen spelers dit constant: ze leveren arbeid die niet direct beloond wordt, maar nodig is om hun medespelers in stelling te brengen. Noodzakelijk, maar je gaat er nooit de samenvatting mee halen. Toch zijn ze indicatief voor goede spelers: wie veel vuile meters maakt, wordt vanzelf een slimmere voetballer.

Scenarioschrijven is een vak van vuile meters. Voor iedereen die zich zo gelukkig mag prijzen om zich scenarist te mogen noemen, geldt dat de stapel afwijzingen vaak vele malen hoger is dan de stapel toegekende plannen. We hebben allemaal gezwoegd aan projecten die niet van ons waren of gewerkt aan producties die misschien niet bovenaan ons verlanglijstje stonden. Ook dat werk moet gedaan worden. Sterker nog: een gezonde industrie kan niet zonder, en een gezonde carrière net zomin, want vaak zijn het juist die producties waarop je vlieguren kunt maken en je de fijne kneepjes van het vak onder de knie krijgt. Op een paar uitzonderingen na rolt namelijk niemand na de filmacademie of Script Academy regelrecht in high-end drama.

Bij het rondetafelgesprek dat het Netwerk Scenarioschrijvers en de DDG op 27 augustus organiseerden met het fictieteam van de NPO, bestaande uit Sebastiaan Leeman en Marianna Sterk, kwamen de afnemende kansen voor jonge en mid-career schrijvers meermalen ter sprake. Nu de NPO inzet op het maken van minder series met grotere budgetten, dreigt iedereen die niet in de high-end zit kansen mis te lopen. Het zijn namelijk langlopende series zoals SpangaS, Brugklas of Flikken Maastricht waar schrijvers in de luwte meters kunnen maken of onder de hoede van meer ervaren scenaristen ervaring kunnen opdoen. Het zijn series waar je veel schrijft, samenwerkt met regisseurs, producenten en acteurs en waar je gaandeweg een betere schrijver wordt, om misschien uiteindelijk die Telefilm, dramaserie of speelfilm te schrijven waar je ooit van droomde. SpangaS en Flikken zijn bij uitstek vuile-meter-series. De projecten waarop een industrie draait. Maar de laatste jaren verdwijnen juist steeds meer van dit soort series.

Deze trend is overigens niet uniek voor Nederland. In Amerika speelde tijdens de writer’s strike dezelfde discussie. Daar maakte de klassieke 22-afleveringenseries zoals 24, series die mensen aan het werk hielden, steeds meer plaats voor ‘prestige tv’: high-end series, met steeds minder afleveringen en slinkende writers’ rooms. Mike White, scenarist van de veelgeprezen dramaserie The White Lotus, werd – waarschijnlijk tot zijn afgrijzen – het boegbeeld van deze discussie. White schreef namelijk alle drie de seizoenen van zijn geslaagde satire volledig zelf en dat kwam hem op veel kritiek te staan van zijn stakende collega’s.

Dat White het mikpunt werd in deze discussie was misschien wat arbitrair, maar er zit wel iets in die kritiek op prestige-tv en miniseries. Hoe goed series zoals Bodem of het Jaar van Fortuyn ook waren; ze zullen nooit de backbone vormen van een industrie. Scenarioschrijven is een ambacht dat je maar op één manier kunt leren en dat is door het te doen. Veelvuldig. In het begin bij voorkeur onder de hoede van meer ervaren schrijvers. En het liefst op projecten die de eindstreep halen en worden geproduceerd, zodat je kunt zien wat je de volgende keer allemaal anders zou doen. Die series zijn nodig, omdat ze de nieuwe generatie scenaristen opleiden, en de huidige generatie aan het werk houden.

Het is terecht om daarin te kijken naar de NPO en naar streamers, en de rol die zij hierin spelen. Maar ik wil daar iets tegenoverstellen, en dat is dit: ik denk dat we ook wat vaker naar onszelf mogen kijken. Als we het ambacht van scenarioschrijven in Nederland naar een hoger plan willen tillen, kunnen wij daar zelf ook iets aan doen. Om te beginnen door te onderkennen dat dát is wat scenarioschrijver is: een ambacht. Niet een ongrijpbaar talent waar sommige mensen patent op hebben en anderen niet. Maar een vak dat je kunt beheersen door veel te oefenen en dat je dus ook kunt doorgeven aan de volgende generatie. Iedereen die ooit op een set gestaan heeft, weet hoe dit gaat bij geluidsmensen. De ervaren rotten hebben een vaste assistent die ze als een schaduw volgt van de ene naar de andere set. Die jonge geluidsmensen belanden na de filmacademie in een warm bad: ze hoeven zelf geen acquisitie te doen, kunnen stilletjes (pun intented) fouten maken en de kneepjes van het vak leren, waardoor ze na een paar jaar volleerd zijn en een netwerk hebben opgebouwd. Het kán, ook in een kleine industrie als de onze.

Nu vind ik dat iedereen zelf moet beslissen hoe ze willen werken en met wie. Als je het best alleen werkt; prima, maar als je wel de ruimte hebt om een minder ervaren schrijver mee te nemen, doe dat dan eens. Niet omdat het sneller werkt, want waarschijnlijk is het tegenovergestelde waar, maar omdat iemand ooit hetzelfde voor jou heeft gedaan. Om een goed draaiend team te hebben, moet je ook af en toe ruimte maken voor nieuw talent.

[Fotograaf Jenneke Boeijink]

Wat zoek je?