De Nederlandse genrefilm: De terugkeer van de verbeelding?
Nederland staat bekend om zijn nuchterheid en doe-maar-gewoon-dan-doe-je-al-gek-genoeg-mentaliteit. Al decennialang wordt dit sentiment weerspiegelt in de films die we maken, waarin het realisme de boventoon voert. Daar zijn een aantal prachtige films uit ontstaan, maar wie op zoek is naar een vleugje fantasie moet dieper graven. Want genrefilms als horror, sciencefiction en fantasy werden in vergelijking maar mondjesmaat gemaakt.

De laatste jaren lijkt daar voorzichtig wat verandering in te komen. Nederlandse horrorfilms boekten succes en steeds meer makers zochten de grenzen van het realisme op. Maar is dit een trend die doorzet, of is het slechts een tijdelijke opleving? Om hier meer inzicht in te krijgen sprak ik met filmmakers en eveneens voorvechters van de genrefilm over de vraag: Hoe staat het ervoor met de fantastische genres in Nederland en wat kunnen we voor de toekomst verwachten?
De dictatuur van het realisme
Dat er weinig fantasierijke genres en thema’s in de Nederlands filmwereld voorkomen is geen nieuwe constatering. Al in 1999 verscheen het Manifest van de Verbeelding, geschreven door cinematograaf Guido van Gennep en regisseurs Elbert van Strien en Djie-Han Thung. Zij noemden zichzelf ‘De Fantasten’ en verzetten zich met dit manifest tegen wat zij zagen als de dominante positie van het realisme binnen de Nederlandse cinema. Volgens hen had de Nederlandse film zich opgesloten in een beperkte visie op wat kunstzinnig en waardevol was. De Fantasten pleitten voor meer verbeelding, meer risico en meer ruimte voor fantastische genres.
Voor mijzelf en de andere genre-enthousiasten klinkt dit sentiment nog altijd actueel. Maar wat maakt die genres dan zo belangrijk? Ik vroeg het aan Robil Rahantoeknam, die tot vorig jaar als filmconsulent werkte bij het Nederlandse Filmfonds en zich daar specifiek over de plannen en ontwikkeling van genrefilms boog. “Genrefilms lenen zich uitzonderlijk goed voor het spiegelen van een maatschappij waar je het misschien niet helemaal mee eens bent. Of waar je je op een bepaalde manier toe moet verhouden omdat je anders bent. Wat dat betreft bieden ze een veilige manier om ingewikkelde thema’s en conflicten van een afstand te belichten.”
De Fantasten benoemden dit belang ook in hun manifest. Het is de reden dat er sprookjes bestaan en waarom die zo effectief zijn in het meegeven van bepaalde normen en waarden aan kinderen. Het is de reden dat verhalen uit de mythologie eeuwen later nog tot de verbeelding spreken. Waarom is er in de Nederlandse filmindustrie dan zo weinig ruimte voor?
Allereerst is er het financiële aspect. Dit soort genrefilms vraagt vaak meer voorbereiding, wereldbouw en technische middelen. Hoewel hier met enige creativiteit oplossingen voor gevonden kunnen worden in de vorm van slimme en kleinschalige concepten, kunnen grotere fantasieconcepten lastiger te financieren zijn. Zeker wanneer de budgetten binnen Nederland al beperkt zijn.
Iemand die daar persoonlijk mee te maken heeft gehad is regisseur Nick Jongerius. Hij regisseerde de slasher-horrorfilm The Windmill Massacre (2016) waarin een groep toeristen strandt bij een vervloekte windmolen. Deze film is weliswaar op Nederlandse bodem gemaakt, maar is wel met internationale financiering en een Engelssprekende cast tot stand gekomen.
Momenteel werkt Nick Jongerius aan de horrorfilm The Crying Boy, waarvoor ik het plezier had om het script te schrijven. Het is gebaseerd op de short The Curse of the Crying Boy (2019). Het gaat over een kunstrestaurateur die een schilderij van een huilend jongetje in huis haalt. Dit schilderij lijkt een vreemde invloed uit te oefenen op haar jonge zoontje. Voor deze film kiest Jongerius wederom voor een internationale aanpak. De Engels- en Spaanstalige film krijgt financiering vanuit o.a. Canada, Amerika en heeft een Zuid-Amerikaanse salesagent. Nog een tweede film waar hij internationaal aan werkt, is Ratking: over een vluchteling op een cruiseschip dat onder leiding van een monsterlijke rattenkoning door ratten wordt geterroriseerd.
Golven van horror
Het recente succes van de Amerikaanse horrorfilm Obsession (2025) laat zien dat er wel degelijk een groot enthousiasme voor horrorfilms bestaat. De film leverde meer dan 300 miljoen dollar op en werd ook in de Nederlandse bioscopen druk bezocht. Dat terwijl het met een minimaal budget van rond de 750 duizend dollar gemaakt werd. De film is een grote hype geworden en lijkt daadwerkelijk een boost te hebben gegeven aan de algemene interesse in het horrorlandschap.
Ook Nederland heeft een aantal oplevingen van succesvolle Nederlandse horrorfilms gehad. Een van de bekendste voorbeelden is De Lift (1983) van regisseur Dick Maas, waarin een moorddadige lift een Amsterdams kantoorgebouw terroriseert. De film groeide uit tot een cultklassieker en kreeg in 2001 zelfs een Amerikaanse remake. Maas bevestigde zijn positie als Nederlandse horrorpionier enkele jaren later met Amsterdamned (1988), een thriller-horrorfilm over een mysterieuze moordenaar die door de Amsterdamse grachten op zijn prooi jaagt. Daarna bleef het weer een aantal jaar angstvallig stil in het horrorlandschap.
Tim Koomen van Bloodrave Films is zowel schrijver als producent en heeft een grote liefde voor genrefilms. Vanuit die liefde produceerde hij de podcast Gen G waarin hij met genrefilmmakers in gesprek gaat over hun gedeelde passie. Daarnaast schreef hij de horrorfilms Jimmy (2024), waarin een groep vriendinnen wordt geteisterd door een bovennatuurlijke true-crimepodcast, en Binary (2024), een body horror over een trans vrouw die leidt aan beangstigende hallucinaties waarin haar lichaam zich tegen haar keert.

“Het gaat altijd in golven,” merkt Koomen op over de belangstelling voor horrorfilms. “Toen ik nog vrijwilliger was bij het Nederlands Film Festival maakte ik zo’n golf mee, met onder andere Doodeind (2006) van Erwin van den Eshof en Sl8n8t (2006) van Frank van Geloven en Edwin Visser. Toen dacht ik: wow, er gebeurt echt iets. Maar daarna bleef het weer bij kleine piekjes.”
Ook Nick Jongerius herkent dat golfpatroon, dat volgens hem meestal in beweging wordt gebracht door individuele makers die koste wat kost een film willen realiseren. “Als iemand als Martijn Smits besluit dat hij absoluut Vleesdag wil maken, dan komt die film er,” zegt hij. “Maar als hij had gezegd: voor dat geld ga ik het niet doen, dan was die film er nooit geweest.”
Niet voor niets noemt Nick Jongerius deze film als recent voorbeeld van een Nederlandse horrorfilm die internationaal is rondgegaan. Vleesdag (2025) lijkt bij een golf te horen die de afgelopen jaren is aangezwollen, waarbij ook Moloch (2022) van regisseur Nico van den Brink in binnen- en buitenland lof oogstte met zijn combinatie van Nederlandse folkhorror en een sterke visuele stijl.
Aan de voet van diezelfde golf stond producent Monique van Kessel. Zij richtte in 2019 Make Way Film op in Rotterdam, speciaal bedoeld voor genrefilms. “Wij zijn toen juist keihard omarmd door het Filmfonds met allerlei projecten. Ik heb het idee dat ook zij hard op zoek waren naar andere soorten films dan de arthouse drama’s waarvan er de afgelopen jaren al zoveel zijn gemaakt. Niet verrassend dat het Filmfonds een filmconsulentenrol voor genrefilms inrichtte en daarvoor Robil Rahantoeknam aanstelde.”
“Het Filmfonds stond in theorie altijd al open voor genrefilm,” zegt Rahantoeknam hier desgevraagd zelf over. “Maar er was vaak onbegrip bij mensen die daar beslissingen over namen. Om genre goed te beoordelen moet je er ook liefde voor hebben.” Volgens hem heeft die verandering inmiddels ook zichtbaar effect. Toen hij vorig jaar vertrok, zag hij een aanzienlijk grotere lijst met genreprojecten in ontwikkeling dan toen hij begon. Zijn functie bij het Nederlands Filmfonds is ook niet verdwenen. Sinds 2025 wordt die voortgezet door Gerwin Tamsma, opnieuw met een expliciete focus op genrefilm. Monique van Kessel ziet dit in ieder geval als een positief signaal. “Dat is geen hype. Dat is een structurele verandering.”
Sindsdien lukte het Van Kessel dan ook om meerdere horrorprojecten geproduceerd te krijgen, waaronder Witte Wieven (2024) van regisseur Didier Konings: een feministische kijk op de Nederlandse folklore van bovennatuurlijke vrouwen die zich diep in de duisternis van de Nederlandse bossen schuilhouden. Momenteel zit ze in de post-productiefase van Fosfor, een Nederhorrorfilm van Yfke van Berckelaer, over een vrouw die in een nachtmerriewereld vol monsters belandt en afhankelijk is van slechts een doosje lucifers. De gehele film speelt zich op één duistere locatie af. Daarnaast werkt ze aan de horrorkomedie Shiny New World. Deze is gebaseerd op de gelijknamige korte filmuit 2021 en gaat over een crime scene cleaner die de plaatsen delict zuivert van demonen.

Zowel Witte Wieven als Binary (van Tim Koomen) maakten deel uit van een ander recent initiatief om meer genrefilms binnen Nederland te maken, namelijk: Koolhoven Presenteert. Daarmee kregen zes makers de kans om korte genrefilms te ontwikkelen onder begeleiding van een van de bekendste Nederlandse genreregisseurs: Martin Koolhoven zelf. De reeks ontwikkelde films liet zien dat Nederlandse makers wel degelijk sciencefiction, horror en fantasy kunnen maken wanneer ze daarvoor de ruimte krijgen. Misschien nog belangrijker: het project maakte zichtbaar hoeveel jong talent er rondloopt dat zich juist tot deze genres aangetrokken voelt.
Dit blijkt ook op internationaal niveau. Festivals als het International Fantastic Film Festival of Catalonia in het Spaanse Sitges, het Fantastic Fest in Austin, Texas en het Brussels International Fantastic Film Festival behoren wereldwijd tot de belangrijkste ontmoetingsplaatsen. Ook Nederland heeft het eigen Imagine Film Festival, dat is bedoeld voor nationaal en internationale films en bezoekers. Volgens Tim Koomen zijn dergelijke festivals vaak de springplank voor internationale distributie. Daar worden films ontdekt, besproken en verkocht. Voor Nederlandse makers zijn ze extra belangrijk, juist omdat de binnenlandse markt beperkt blijft.

Dat bleek onlangs nog voor Martijn Smits en zijn in dit artikel eerder genoemde film Vleesdag. Die beleefde zijn wereldpremière op Fantastic Fest in Austin. De film werd vervolgens verkocht aan onder meer de Verenigde Staten, Duitsland, Spanje en Latijns-Amerika en viel op meerdere internationale festivals in de prijzen.
“Dankzij Fantastic Fest kreeg Vleesdag enorm veel internationale aandacht,” vertelt Smits. “Het heeft mij een manager opgeleverd, waardoor ik nu gesprekken voer met Amerikaanse producenten. Daarnaast zijn we bezig met een Amerikaanse remake van Vleesdag. Dat was nooit gebeurd als de film alleen in Nederland was uitgebracht. Ondanks positieve recensies is de Nederlandse bioscooprelease namelijk geruisloos voorbijgegaan. En hoewel de film goed bekeken is op Amazon Prime (de financier van de film), heeft dat helaas nog niet geleid tot een nieuwe horrorfilm.”
Het land van de voorzichtige formats
Zeker in vergelijking met horror worden sciencefiction en fantasy binnen Nederland nauwelijks geproduceerd. Wellicht heeft dat deels met perceptie te maken. Zodra mensen aan fantasy en sciencefiction denken, denken ze aan enorme budgetten voor sprookjeswerelden en ruimteschepen. Maar deze genres kunnen ook op kleinere schaal gemaakt worden. “Vooral omdat slimme concepten vaak juist werken met weinig middelen,” zegt Van Kessel hierover. “Bijvoorbeeld door middel van one chambre films, found footage, maar ook grounded scifi, waarmee je met weinig middelen een toekomstige wereld kunt scheppen of buitenaardse wezens introduceren.”
Een goed voorbeeld hiervan is de Amerikaanse indie sciencefictionfilm Coherence (2013) van James Ward Byrkit, waarin een dinergezelschap onheilspellend wordt beïnvloed door een vallende komeet. De film speelt zich af op één locatie in één nacht en werd gemaakt op een budget van maar 50.000 dollar. Grounded sci-fi hoeft dus niet per definitie duurder dan horror te zijn.
Van Kessel vertelt dat ze meerdere keren heeft geprobeerd een sciencefictionfilm te ontwikkelen, maar telkens tegen dezelfde muur opliep bij zowel fondsen als streamers. “Er zijn denk ik te weinig referenties voor sciencefiction binnen de Nederlandse film industrie,” zegt van Kessel daarover. “En als je bijvoorbeeld kijkt naar District 9 (2009) als een voorbeeld van een sciencefictionfilm met een relatief laag budget, maar die wel een Oscar heeft gewonnen, dan zie je een hybride vorm van found footage en normaal camerawerk. Dat soort vormen kennen wij in Nederland niet echt.”
Dat wil overigens niet zeggen dat deze vorm in de Nederlandse film niet succesvol zou kunnen zijn. Kijk bijvoorbeeld naar het succes van Ik ben Geen Robot (2023) van Victoria Warmerdam. Deze korte grounded sciencefictionfilm van Nederlandse bodem won in 2025 een Oscar. Het concept is simpel, maar wel slim bedacht. Toch lijkt Nederland dat in de vorm van feature films en series nauwelijk aan te durven.
En misschien ligt daar juist de kern van het probleem. De Nederlandse filmindustrie staat niet alleen bekend om zijn realisme, maar ook om zijn voorzichtigheid. Ook volgens Jongerius kiezen veel partijen steeds vaker voor bekende titels, bestaande merken en veilige formats. “Er komt een nieuwe Baantjer-serie, een nieuwe Medisch Centrum West,” zegt hij. “Er worden constant oude plannen uit de mottenballen gehaald en dat wordt nog succesvol beloond ook. Dat vind ik geen goede signalen voor de toekomst van de genrefilm.” Jongerius wijst ook op de bedreiging van de recente bezuinigingen bij publieke omroepen. Zelfs als het budget van een genrefilm niet per se groot hoeft te zijn: als er minder gefinancieerd wordt, liggen er minder kansen voor nieuwe makers en voor het nemen van uitgesproken risico’s.
Over de vraag of de toekomst er somber of rooskleurig uitziet voor de Nederlandse genrefilm heerst dus enige verdeeldheid. Jongerius ziet de durf en de budgetten vooral afnemen, maar Van Kessel, Koomen en Rahantoeknam zien ook hoopvolle signalen vanuit het Nederlands Filmfonds en een nieuwe generatie makers. Maar op de vraag of het belangrijk is dat er binnen Nederland meer genrefilms gemaakt worden, is het antwoord bij iedereen een volmondig ja. Juist horror, sciencefiction en fantasy bieden makers de mogelijkheid om maatschappelijke angsten, verlangens en conflicten zichtbaar te maken. Monsters vertellen ons iets over onszelf. Sciencefiction onderzoekt waar technologie ons naartoe brengt. Fantasy geeft vorm aan vragen over identiteit, macht en gemeenschap. Genrefilms zijn geen ontsnapping aan de werkelijkheid maar een spiegelbeeld daarvan.
Nederland heeft die spiegel misschien lang onderschat. Maar na jaren van ontmoediging, kleine golven en incidentele successen lijkt er eindelijk iets structureels te verschuiven. Of dat genoeg is om een volwaardige Nederlandse genrecultuur te creëren, moet de komende jaren blijken. Anders wordt het wellicht tijd voor een nieuw manifest. Mijn handtekening heeft het in ieder geval.
