‘Schrijven voor animatie is zoveel interessanter dan veel mensen denken’

Tingue Dongelmans (1949) schrijft al jaren voor kinderen, vooral voor kleuters. Zo was ze jarenlang vaste schrijver voor Sesamstraat en schreef ze samen met Fiona van Heemstra de 26 afleveringen tellende animatieserie De avonturen van Pim en Pom in het museum. Evenzoveel nieuwe afleveringen van Pim en Pom op museumtour zijn bijna klaar. Het prentenboek Pim en Pom en de kunst, dat ze ook samen met Van Heemstra schreef, verschijnt in oktober. Dit jaar won ze samen met Marc Veerkamp de Zilveren Krulstaart voor beste scenario Kort voor de kinderfilm Pol de Piratenmuis en het verdwenen schip (NPO Start). We vroegen ons af hoe ze dat allemaal flikt. Zeker in een tijd waarin de jeugdfilm nogal onder druk staat.

Tingue Dongelmans (foto: Laurens van Mastrigt)

Laten we bij het begin beginnen. Je bent opgeleid aan de Academie voor Podiumvorming in Den Haag. Hoe kwam je daar terecht? 
Ik kom uit een arm, naoorlogs gezin. Mijn vader was stoffeerder – eigen baas – en mijn moeder huisvrouw. Ze had nooit haar eigen keuzes mogen maken en vond dat haar kinderen vooral moesten doen wat ze leuk vonden. Als kind zat ik samen met mijn zusje op ballet, deed ik mee aan een musical en schreef ik verhaaltjes. Op de middelbare school bracht ik de eerste schoolkrant uit, ik had ergens gelezen dat zoiets bestond. Verhaaltjes schrijven en stencilen. Niet om op de voorgrond te komen, maar het moest gewoon, zo voelde dat. Ik was wel bazig, hoor. Iedereen moest meedoen en ik zei hoe het moest. De stap naar een creatieve opleiding lag voor de hand, maar naar de Kleinkunstacademie in dat enge Amsterdam durfde ik niet. Ik speelde al vanaf mijn 17e bij het Haags Jeugdtheater; het werd de theateropleiding in Den Haag.

Je speelde toneel, maar ook rollen in series en in films. 
Samen met Lars Boom, die later ook scenarioschrijver werd, speelde ik begin jaren tachtig in Hotel de Witte Raaf van de NCRV. Een comedyserie rond een landelijke hotelletje, met een echtpaar dat hun knorrige oom assisteert. Het script van de laatste aflevering was zo slecht dat we het niet wilden spelen. We hebben het herschreven en we kregen er nog voor betaald ook. Dat was eigenlijk mijn eerste schrijfklusje. En het smaakte naar meer.

Bij Theatergroep Hobo (samen met je man Johan Hobo) schreef je ook al toneelstukken en je regisseerde. 
Ik schreef daar omdat we eigenlijk geen schrijver konden betalen. Niet met de gedachte ‘ik word schrijver’, maar gewoon omdat we een stuk nodig hadden. Na de ervaring met Hotel de Witte Raaf schreef ik voor het theaterseizoen 1983-84 een stuk voor kleuters, vanaf 4 jaar is dat. Eigenlijk vanaf 3 jaar, want veel ouders zeggen dan ‘dat kan mijn kind wel aan’, zelfs als ze pas 2 zijn! Het stuk heette Mama, ik droom en dat werd een groot succes. Het was een van de eerste stukken voor kleuters in het theater. Daarvoor was alles altijd voor 6+ en ouder geweest. Men keek er toen nog een beetje op neer, voor kinderen schrijven. Ik dacht aanvankelijk ook dat dat saai zou worden. Maar eigenlijk werkt het precies hetzelfde als schrijven voor volwassenen. Ik ben er min of meer ingerold, omdat ik steeds vaker voor werk voor kleuters werd gevraagd. Het was niet per se mijn doel, maar het was blijkbaar voor mij bestemd.

Kon je van je werk leven?
We speelden vaak ‘op uitkoop’, waarbij het theater ons kon betalen uit subsidies. Ook voor scholen speelden we, omdat er toen nog subsidie was voor kunstonderwijs. We waren met een klein team en deden alles zelf, ook het decor en de kostuums. Het was geen vetpot, maar later konden we toch wel een decor- of kostuumontwerper inschakelen. Als we niet werkten, zaten we in de ww, speelden her en der een rolletje, of ik deed een reclame. Mensen spraken daar schande van, geld verdienen aan reclame, en reclame voor een wasmiddel was al helemaal schandelijk. Het kon me niks schelen. Als je het goed doet, is het ook nog eens leuk werk. We hebben trouwens nooit dingen gedaan die we niet leuk vonden, maar een regelmatig inkomen hadden we niet. De groep heeft 29 jaar bestaan.

Op toneel met theatergroep Hobo (foto: Clemens Boon)

Wanneer maakte je de overstap naar schrijven en waarom?
Dat ging eigenlijk spelenderwijs. Maar dat je ook schrijver wil zijn, is toch wat anders. Bij onze theatergroep had ik als zakelijk leider een Melkertbaan. Zo’n baan werd gecreëerd voor mensen die vaak in de ww belandden, de hopeloze gevallen. Ik was natuurlijk hartstikke druk bezig, maar toch kreeg ik zo’n Melkertbaan, een minimumloon, maar er zat ook 2000 gulden studiebijlage bij, om een vak te leren. Ik ben toen bij schrijfopleiding ’t Colofon een cursus creatief schrijven gaan doen, en toen pas ontdekte ik hoe leuk ik dat vond. Daarna volgde een cursus scenarioschrijven, bij Harry van den Eerenbeemt. Bij toneel geef je zo min mogelijke aanwijzingen, toch niemand die die op wil volgen: Fuck the playwright! Maar bij schrijven voor film mocht ik veel sturender zijn. Ik was meteen verkocht. Maar ik durfde me nog altijd geen schrijver te noemen.

Wat nam je mee uit je ‘vorige leven’ bij het toneel?
Mijn toneelverleden heeft me erg geholpen. Ik weet wat een goede dialoog nodig heeft, wat lekker bekt, wat leuk is om te spelen. In 2002, op een bijeenkomst van het Netwerk, deed Tamara Bos verslag van de scenarioworkshop North by Northwest. Ik was meteen enthousiast, maar ik had geen rooie cent. Bij het Filmfonds heb ik toen een omscholingssubsidie – van toneel naar film – aangevraagd. En die kreeg ik. En via een ander fonds ook nog reiskostenvergoeding voor de reizen naar Berlijn en het Deense Bornholm. Ik kreeg daar een editor tot mijn beschikking en les van Amerikaanse tutors. Daar heb ik veel geleerd. Je moest aan het eind een script afhebben. Bij de toelating tot de workshop zeiden ze dat ik dan wel actrice en regisseur was, maar dat ik me vanaf nu schrijver moest gaan noemen. Dat was voor mij een grote stap. Pas in 2004 ben ik voor tv, voor Sesamstraat, gaan schrijven. 

Waar haal je je inspiratie vandaan? Werk je in opdracht of aan de hand van eigen ideeën?
Sesamstraat was een goede leerschool, die later deuren voor me heeft geopend. Ze stimuleerden dat je zoveel mogelijk met eigen ideeën kwam. Toch werkte ik samen met Marc Veerkamp, die ik daar had leren kennen. Dan brainstormden we aan de hand van het blad Ouders van nu bijvoorbeeld, en werkten we daarna aan onze eigen scènes. Verder haal ik inspiratie uit mijn eigen kindertijd, mijn eigen fantasie. Het helpt ook dat ik vanuit mijn werkplek uitkijk op een kleuterspeelplaats.

Hoe ontwikkel je je karakters? Hoe ga je daarbij te werk?
Als je vanuit karakters schrijft, vertelt het verhaal zich min of meer vanzelf. Dus die vooraf goed uitwerken is heel belangrijk. Bij Pol de Piratenmuis begon alles met de tekening van een muisje van Denise van Leeuwen. Daarnaast had ze nog een paar dieren getekend. Toen werd ik gebeld door Bruno Felix (Submarine) of ik mee wilde nadenken over een kinderserie. Ik ben meteen de eigenschappen van die dieren gaan uitzoeken en heb van elk van hen, de muis, de pelikaan, een basiskarakter uitgeschreven. Het zou in eerste instantie over de natuur gaan. Dat is best lastig als je je bedenkt dat die dieren in het echt elkaar gewoon opeten en ze in de serie elkaars vrienden moeten zijn. Bij het schrijven probeer ik dan zoveel mogelijk bij dat kind in mezelf te blijven.

Pol de Piratenmuis, illustratie Denise van Leeuwen (copyright Submarine)

Je werkt samen met andere scenarioschrijvers. Hoe ziet die samenwerking eruit?
Bij al mijn samenwerkingen is het vooral een kwestie van veel overleggen. Ik stort me vaak op de karakterontwikkeling en bij een film verdelen we de scènes en schrijven we om en om. Bij een serie schrijven we onze eigen afleveringen, die vervolgens ook heen en weer gaan voor wederzijdse feedback. Dat doe ik met Fiona van Heemstra met wie ik nu de laatste hand leg aan Pim en Pom dat op het Cinekid Festival in première gaat, met Marc en ook in de samenwerking met Tünde Vollenbroek en Aisha Madu, twee jonge makers die voor Zapp Animatie Campus zijn geselecteerd met de animatiefilm Kwienies Kroon. Je moet elkaar wel echt vertrouwen.

Heb je een bepaalde schrijfroutine?
Ik schrijf het beste materiaal in de ochtend, dan schiet ik ook het meest op, maar dan moet ik wel eerst mijn bed uit kunnen komen. Ik ben van nature nogal lui. Ik schrijf trouwens nooit langer dan drie uur achter elkaar. ’s Avonds werk ik alleen als er een harde deadline is. Als ik avondwerk ‘s ochtends teruglees denk ik: ik kan wel weer opnieuw beginnen!

Hoe kwam schrijven voor animatie op je pad?
Animatie was eigenlijk niet zo mijn ding, tot Marc me wees op De Sprookjesboom. Daar hadden ze schrijvers nodig. Bij De Sprookjesboom werkten ze met motion capture. De bewegingen van acteurs in hun pakken met sensoren werden dan later naar 3D-animatie omgezet. Bij het schrijven luistert dat nogal nauw. Op de seconde moeten alle bewegingen kloppen. Soms moest er dertig seconden af. Daar heeft mijn acteerachtergrond ook geholpen. Ik speelde zelf de scènes na en kreeg complimenten over de perfecte timing. Zo ben ik animatie langzaam gaan waarderen. Via een afgewezen script dat te oubollig werd gevonden – ik ben een beetje oubollig aangelegd – werd ik getipt voor de Pim en Pom-serie, die gemaakt wordt aan de hand van de prachtige illustraties van Fiep Westendorp. Daar ben ik nooit meer weggegaan. Voor Pim en Pom ben ik uiteindelijk ook kinderboeken gaan schrijven. Er komt binnenkort weer een boek van Fiona en mij uit.

Je kreeg de Zilveren Krulstaart (samen met Marc Veerkamp) voor Pol de Piratenmuis. Ik begreep dat dat een lang project was?
Het zijn vaak lange trajecten. In 2018 kreeg ik van Submarine de opdracht in pakweg zes weken een format te schrijven. Voor een serie van 52 afleveringen, waarvan de basis nog niet duidelijk was, is dat weinig tijd. Het lukte aanvankelijk niet om fondsen te werven, maar ik kreeg wel keurig betaald, wat toen nog ongebruikelijk was. Gaandeweg werd het project internationaler, Netflix raakte erbij betrokken en haakte later weer af, die wilde alleen voor 6+ produceren. Uiteindelijk kreeg Submarine van de NPO subsidie voor 13 afleveringen, nadat Marc, die intussen ons team was komen versterken en ik, en Bouwine Pool, de regisseur, veel veranderingen hadden doorgevoerd. Voor de special kregen Marc en ik de Krulstaart.

Je hebt de grote veranderingen in de sector meegemaakt. Kun je daar kort iets over zeggen?
Het gaat helemaal niet goed met de ontwikkeling van jeugdproducties, met name kleuterproducties. De doelgroep 4+, en ook van 6 tot 8 jaar, begint tussen wal en schip te raken. Onlangs is er een platform voor opgericht, de Jeugdalliantie, om daar de aandacht op te vestigen. Het wordt voor de schrijver steeds lastiger iets in te dienen, omdat je aan de ‘voorkant’ van een project al geacht wordt precies te weten hoe je alles gaat invullen. Dat is vooral een kwestie van geld, maar het beperkt je in je creativiteit. Het is voor kinderen en hun ontwikkeling heel belangrijk zo vroeg mogelijk met cultuur en met kwaliteit in aanraking te komen. Op animatiegebied is het af en toe tenenkrommend wat ze kinderen durven voor te zetten. Pim en Pom wordt op scholen ingezet voor het kunstonderwijs, met lesbrieven die maken dat je zin krijgt ook mee te doen. Schrijven voor animatie is zoveel interessanter dan veel mensen denken.

Je hebt aangegeven minder te gaan schrijven en dat aan de jongere generatie te laten. Kun je die jongere generatie tips geven?
Werken met jonge makers, zoals Aisha en Tünde, is heel verfrissend. Ze hebben heel andere invalshoeken dan ik. Film maak je met elkaar en dat is goed, je krijgt er een bredere blik van, het is gezelliger en je leert om soms wat te slikken. Ik zie soms heel bevlogen jonge filmmakers die nog moeten leren af en toe in te binden. Ik vind het zelf nog steeds moeilijk, hoor, want dat samenwerken maakt me ook onzeker. Bij elke nieuwe aflevering denk ik weer, ik kan dit niet. Daar kom ik nooit meer vanaf, maar ik heb inmiddels wel geleerd dat ik mezelf dan moet toespreken dat ik het wel kan. Het helpt om zelf les te geven, dan kom je erachter dat je veel meer weet dan je zelf dacht.

Je zet het schrijven dan wel op een lager pitje, maar ik zag op Acteursbelangen (Act) dat je wel een showreel hebt gemaakt waarin je aangeeft in te zijn voor nieuwe tv- en filmrollen. Heimwee?
Als ik het niet meer druk heb met schrijven, vind ik het wel weer leuk om te spelen, kleine rolletjes, vermoord worden in een detective, dat soort dingen. Ik denk dat ik het nu beter kan dan vroeger. Toen wilde ik het zo graag goed doen, dat het nooit zo goed werd als ik zou willen. Dat kan me nu niet meer schelen, ik vind het gewoon leuk om te doen en daar wordt je spel alleen maar beter van. Ik dacht ook, oude mensen zonder facelift kunnen ze vast ook nog wel gebruiken. Ik heb onlangs al een animatie letterlijk ‘ingegild’: Dooie Boel (Junaid Chundrigar en Paco Vink), een korte animatiefilm voor volwassenen.

Jaren geleden, in een eerder interview in Plot, zei je dat je niet één schrijver boven de ander verkiest, omdat je die ander dan altijd tekort doet. Bovendien: je houdt niet van wedijveren, stelde je. Hoe denk je daar nu over?
De Zilveren Krulstaart is natuurlijk een groot compliment, zeker aan Marc die het meeste schreef, maar ik zie de prijs vooral ook als stimulans voor jeugdfilm. Ik denk ook dat de stemmers dat belangrijk vonden. Ik hou nog steeds niet van wedstrijden, vooral als het schrijfprojecten betreft. Bij Zapp Animatie Campus kunnen we ook nog halverwege afvallen, maar dan kunnen we altijd nog eens  indienen is ons verzekerd. Dat is bijvoorbeeld bij een Telefilm lastig. Je hoort meestal niet waarom je bent afgewezen en je kan niet reageren. Dat vind ik heel kwalijk. Dat je werk zit te verstouwen waar je geen cent voor krijgt. Daarmee wordt veel talent verspeeld. Dat is geen goed systeem. Daar moeten we vanaf. 

Wat zoek je?