Clown contra dictator
Het ontstaan van een scenario is vaak een boeiend verhaal op zich. In deze aflevering van De Conceptie: hoe de gelijkenis tussen twee wereldberoemde mannen de inspiratie vormde voor een baanbrekende satire.

Dit verhaal begint met een stukje haar: de snor van Charlie Chaplin. Tijdens de opnamen van een van zijn slapstickfilms vraagt producent Mack Sennett hem om wat ‘comedy make-up’ op te doen. “Maakt niet uit wat.” Sinds die dag in 1914 draagt de komiek zijn toothbrush moustache. In zijn autobiografie beschrijft Chaplin dat hij bewust kiest voor een vierkant snorretje. Daarmee ziet hij er iets ouder uit, wat bij zijn rol past. Aan de andere kant is hij als komiek in zwijgende films afhankelijk van zijn expressie. Met dit bescheiden model blijft zijn mimiek intact. Hij voegt een bolhoed en een iets te wijde broek toe en zo ontstaat een nieuw typetje dat al snel razend populair wordt: The Tramp.
Maar vanaf de jaren dertig wordt dit model snor steeds vaker geassocieerd met iemand anders. Adolf Hitler grijpt de macht in Duitsland. Amerika kijkt afwachtend toe hoe Hitler zijn opmars maakt. Zich nog niet bewust van wat er gaat komen, vermaken velen zich met zijn ogenschijnlijk karikaturale stijl: bulderstem, spuuglok en dan dat vierkante snorretje. Lijkt hij niet op iemand? Eind jaren dertig zingt de Britse entertainer Tommy Handley: “Who is that man (who looks like Charlie Chaplin)”.
In 1937 benadert de Hongaarse filmmaker Alexander Korda Chaplin met een idee. Hij ziet een komedie voor zich waarin The Tramp en der Führer met elkaar worden verward. Volgens sommige bronnen klopt ook schrijver Konrad Bercovici bij Chaplin aan met een soortgelijk gegeven. Er hangt duidelijk iets in de lucht. Toch hapt Chaplin niet direct toe. Hij vindt het idee niet origineel. Er worden al zoveel komedies gemaakt rond gedaanteverwisselingen, die vaak draaien om tweelingbroers of dubbelgangers. Sterker nog, zijn oudere halfbroer Sydney maakte in 1921 al de komedie King, Queen, Joker, rond een kapper die als twee druppels water lijkt op de koning van een fictief land.
Chaplin voelt wel aan dat het tijd is voor zijn eerste grote geluidsfilm. Hij is de laatste filmclown die halsstarrig vasthoudt aan zwijgende films. Al langer zoekt hij naar een passend project, liefst met een grote rol voor zijn huidige vrouw, Paulette Goddard. Misschien een romance, iets over geliefden op Bali of een verhaal over Napoleon op Elba… Geen van die ideeën krijgt vleugels. Misschien toch maar een film rond Hitler? Als de dictator “donderpreken tegen de massa kon houden in jargon”, zou hij The Tramp kunnen gebruiken voor de fysieke humor. “Ideaal voor mijn eerste geluidsfilm.” In 1938 trekt hij zich terug in het Californische kustplaatsje Carmel. Daar schaaft hij aan zijn scenario. Voor zijn zwijgende films had hij genoeg aan outlines omdat hij veel improviseerde, maar nu hij zich waagt aan een geluidsfilm met dialogen schrijft hij een gedetailleerd script. Het kost hem twee jaar.
“Laten we strijden voor een wereld van rede, een wereld waarin wetenschap en vooruitgang zullen leiden tot het geluk van alle mensen.
The Great Dictator, zoals het project gaat heten, begint als een komedie, maar transformeert onder druk van de tijdsgeest tot een satire. The Tramp is niet langer een zwerver maar een kapper. Deze protagonist is in de eerste scriptversies nog een vrij neutraal personage, maar als het giftige antisemitisme van Hitler steeds manifester wordt, besluit Chaplin er een Joods personage van te maken. In scènes in een ghetto wordt met witte verf ‘Jood’ op de ruiten geklad. Het verhaal wordt almaar realistischer. Zo wordt de Joodse kapper bijna opgehangen. Hoewel niemand de film al gezien heeft, reageert Hollywood sceptisch. Hoezo ligt de nadruk zo op het woord Jood, terwijl dat tot dan toe nauwelijks gebruikt wordt in Amerikaanse films? Bovendien: kun je zo’n productie nog wel uitbrengen op de Duitse markt? Chaplin trekt zich er niets van aan. Hij betaalt deze film – zijn duurste productie ooit – uit eigen zak. In Duitsland wordt beweert dat Chaplin zelf Joods is. Dat is niet waar, maar wie wel Joodse wortels heeft is Paulette Goddard. Voor haar creëert Chaplin de rol van de vrijgevochten Hannah, die uitgroeit tot steun en toeverlaat van de kapper. Die kan alle steun gebruiken als hij het aan de stok krijgt met handlangers van een dictator met de naam Adenoid Hynkel. Chaplin kiest voor zijn personages fictieve namen, maar je hoeft het nieuws maar te volgen om te raden dat propaganda-minister Garbitsch eigenlijk Goebbels is, Herring staat voor Göring en Benzino Napaloni voor Benito Mussolini.
Opvallend is dat Hynkel en de kapper gedurende bijna de hele film te zien zijn in aparte verhaallijnen. Pas in de laatste acte vindt er een persoonsverwisseling plaats. De Joodse kapper wordt opgepakt, maar weet te ontsnappen in een legeruniform. Door hun gelijkenis ziet iedereen hem opeens aan voor Hynkel. En de legertop verwacht dan ook een megalomane speech van hem. Zo sluit Chaplin de eerste volledig sprekende film af met een uitvoerig betoog. “Het spijt me, maar ik wil geen keizer zijn”, begint de beduusde kapper. Uiteindelijk bepleit de ‘dictator’ een humane maatschappij waarin iedereen elkaar de hand reikt. En zo eindigt een film die begint als een soms vrij flauwe slapstickkomedie met een geëngageerd slotakkoord.
In 1940, ver voordat Amerika zelf deelneemt aan de Tweede Wereldoorlog, slaat deze opvallende aanpak enorm aan. The Great Dictator groeit uit tot de meest succesvolle film uit Chaplins toch al rijke oeuvre. Maar waar het publiek applaudisseert hebben de critici hun reserves. Vooral de slotspeech vinden ze sentimenteel en te expliciet. Toch blijkt anno nu dat dit betoog nog volop resoneert. De speech wordt miljoenen keren aangeklikt op YouTube, de Schotse zanger Paolo Nutini verwerkt de tekst in de song Iron Sky en een band als U2 laat beelden van The Final Speech zien tijdens concerten: “Laten we strijden voor een wereld van rede, een wereld waarin wetenschap en vooruitgang zullen leiden tot het geluk van alle mensen. Soldaten! In naam van de democratie, laten we ons allen verenigen!”
Bronnen:
Charles Chapin – My life in pictures – The Bodley Head Ltd (1974)
Scott Eyman – Charlie Chaplin vs. America: When Art, Sex and Politics Collided – Simon & Schuster (2023)
