1 juli 2020

achtergrond

Door Marc Veerkamp

Hoe regionaler je verhaal, des te universeler

De beentjes van Sint-Hildegard is populair in heel Nederland. Opvallend, want de voertaal in deze relatiekomedie is Twents. Maar misschien draagt die Twentse touch juist bij aan het succes. Volgens een vaak geciteerde theorie zijn lokale verhalen juist universeel.

“Is het Zweeds?” “Misschien is het Deens?”
 
In een Utrechtse bioscoopzaal klinkt geroezemoes. Tijdens een testscreening van de film De beentjes van Sint-Hildegard weten de toeschouwers nog niet wat ze moeten verwachten. Wel zien ze ondertitels en horen ze een taal die lijkt op het Nederlands. Regisseur Johan Nijenhuis kijkt de zaal rond. Op het moment dat hoofdrolspeler Herman Finkers het beeld vult, weten ze welke taal het is: Twents.
 
Het publiek is enthousiast. Dat gunstige voorteken blijkt terecht: enkele maanden later staat de teller op meer dan 500.000 verkochte kaartjes. De toeloop wordt bruusk gestopt door het coronavirus. Het is moeilijk in te schatten hoe hoog de cijfers zouden zijn uitgevallen als we in ‘het oude normaal’ leefden, maar als op 1 juni de bioscopen hun deuren na lange tijd weer openen, lokt de film meteen weer 2300 bezoekers naar de zalen en hij draait nog steeds.
 
Ondanks het Twents scoort deze relatiekomedie, waarvoor Finkers het scenario schreef (en de ondertiteling verzorgde), in het hele land. Volgens Nijenhuis springen Enschede en Almelo eruit. “Maar bijvoorbeeld Alkmaar en Nijmegen gaan net zo hard als Hengelo. Ook Amsterdam en Den Haag doen het goed. In Amsterdam draaide de film in vijf zalen en je kon in de derde week van de release elk uur ‘De beentjes’ zien starten.”
 
Provincie belangrijk

Voor Nederlandse film is de provincie volgens Nijenhuis belangrijker dan de Randstad. “Veel belangrijker. Kijk maar eens naar de Nederlandse succesnummers van de laatste jaren. Zoek de cijfers erbij en je zult zien dat Enschede, Eindhoven, Breda, Hoorn en Alkmaar belangrijker zijn in publieksbereik. Plat gezegd: de studenten, expats en kunstenaars die ‘groot Amsterdam’ bevolken zijn niet in Nederlandse films geïnteresseerd. In Rotterdam bereik je wel een publiek als je film voldoende multicultureel is. Dat heeft Jandino Asporaat wel bewezen.”
 
Maar waarom doet De beentjes van Sint-Hildegard het wel goed in Amsterdam? “Iedereen komt ergens vandaan’’, zegt schrijver Jan Veldman (o.a. de regiosoap Boven wotter en de in Vlieland gesitueerde Telefilm De avondboot). Zelf groeide hij op in een piepklein Gronings dorpje met een naam die menig schrijver niet eens zou durven verzinnen: Doodstil. Hij trok later richting het westen. En ook de hoofdstad is gevuld met mensen die opgroeiden in de provincie. “Zij wonen daar al jaren, maar blijven nieuwsgierig naar elders. De taal en de streek nemen een soort geborgenheid met zich mee. En zachtaardige humor, dat is soms heel leuk.”
 
Genoeg over Amsterdam. Volgens Nijenhuis is de Nederlandse film toch al te Randstedelijk. En dan heeft hij het niet alleen over de lokatie. “Je ziet het ook terug in hoe je personages benadert. Randstedelingen reageren anders dan mensen in het oosten. Amsterdammers zetten vaker een grote bek op om voor zichzelf op te komen. In Twente slikken ze vaker iets weg.”
 
Vanuit die gedachte zou je een film als De beentjes van Sint-Hildegard niet eens kunnen plaatsen in de Randstad. De hoofdpersoon slikt wel heel veel weg. In de film zien we hoe Jan (Herman Finkers) niet kan ontsnappen aan de verstikkende zorgzaamheid van zijn vrouw. Iedere dag bedelft zij hem onder een lawine van liefde. Uit angst haar te kwetsen, durft Jan daar niets over te zeggen. Om meer ademruimte te creëren zoekt hij stilletjes zijn toevlucht tot ongebruikelijke methoden. Nee, hier is geen sprake van Amsterdamse assertiviteit.
 
Het schrijven van regionale karakters luistert vrij nauw. Nijenhuis herinnert zich nog een gesprek met Hans Maarten van den Brink, de voormalige directeur van het inmiddels wegbezuinigde Mediafonds. “Voor hem was een stugge boer gewoon een stugge boer. Maar een stugge boer uit Groningen zegt ‘nee’. Een Twentse stugge boer doet ‘jaja’, maar zit dan eigenlijk ook heel hard ‘nee’ te zeggen.”

Tegenover of naast elkaar
 
“In Amsterdam zie je jongeren in een kroeg pratend tegenover elkaar staan, gebarend met hun handen”, vertelt de in het Friese Joure opgegroeide filmmaker Mirjam de With (o.a de Telefilms Op de dijk en Taiki). “In het noorden staan ze juist naast elkaar.”

In 2014 draaide ze de serie De keet voor Omrop Fryslan. Keten zijn plekken waar de dorpsjongeren rondhangen en drinken. De With nam scenariste Eveline Groeneveld vooraf mee op een kroegentocht. "Zodat zij veel authentieke elementen al kon meenemen in het schrijfproces."



Hoe jongeren drinken, hoe boeren ‘nee’ zeggen, wat mensen in Twente allemaal voor zich houden, het is geen overbodige luxe om dit soort karakteristieke handelingen, hoe verraderlijk klein ze soms zijn, wel op te nemen in een scenario. Details geven iets weer van de mentaliteit van de hoofdpersonen. En dat is niet alleen herkenbaar voor publiek uit de regio. “Hoe regionaler je gaat, hoe universeler het wordt”, stelt De With.

Ze hoorde deze gedachte voor het eerst uit de mond van de vorig jaar overleden Friese filmveteraan Pieter Verhoeff. Zijn film Nynke, een Friestalige biopic over schrijfster Nynke van Hichtum, was een landelijk succes. Ook oogstte hij veel lof met De vuurtoren, een televisieserie over zijn noordelijke jeugd.

Glocalisme
 
Verhoeff en de Wit zijn bij lange na niet de enigen die deze theorie aanhangen. De Britse toneel- en scenarioschrijver Alan Plater (A very British Coup) verwoordde het bijvoorbeeld zo: “De verhalen waar je het verst mee komt, zijn het diepst geworteld in eigen grond. Je kunt alleen echt universeel zijn als je plaatsgebonden bent.” Deze paradox schopte het zelfs tot een ‘isme’: glocalisme. Deze term valt bijvoorbeeld in de scriptie ‘De Friese fictiefilm - regionale cinema uit het noorden’, die Mirjam de With in 2007 schreef tijdens haar studie aan de Brusselse filmschool St. Lukas. Daarin legt ze ook uit hoe dit effect ongeveer werkt: “In wezen hebben mensen overal ter wereld dezelfde ideeën en iedereen verwondert zich erover dat een ander in een volledig ander deel van de wereld, hetzelfde voelt als ‘ik’. Hoe beter de filmische werkelijkheid dan ook wordt neergezet (zo gedetailleerd mogelijk) hoe dichter hij bij mensen zal staan in alle culturen.”
 
De theorie wordt onder andere gestaafd door twee voorbeelden uit het werk van Pieter Verhoeff. Die vertelt in de scriptie hoe een Algerijn na het zien van De vuurtoren opmerkte: “Ik heb nog nooit van Fryslân gehoord en nog nooit een vuurtoren gezien, maar dit verhaal is mijn levensverhaal.” En in Libanon herkenden vrouwen zich in de strijd van titelheldin Nynke. Twee universiteiten kochten de film aan als lesmateriaal. Zijn dit incidenten?
 
Wie gaat spitten in de Nederlandse filmgeschiedenis ziet het vaker: verhalen met een lokaal karakter die een snaar raken over de grens. In 1958 verfilmde Fons Rademakers de roman ‘Dorp aan de rivier’ van Anton Coolen, naar een scenario van Hugo Claus. Het boek gaat over de belevenissen van een eigenzinnige dorpsdokter in het Brabantse dorp Lith aan de Maas. De film toont de streek in volle glorie: de dokter die te paard over de dijk rijdt, besneeuwde velden en het pontje dat de rivier oversteekt. De Brabantse Rademakers, zelf kleinzoon van een dorpsdokter, richt zijn camera ook op de dorpelingen, die bij het schijnsel van een olielamp smoezen, zwijgen en drinken. In Nederland trok de film 300.000 bezoekers, het buitenland reageerde nog enthousiaster. Applaus op het filmfestival van Berlijn, internationale distributie onder de titel The Village on the River, zelfs een Oscarnominatie.
 
Opvallen

Het komt vaker voor dat Nederlandse films met een lokaal karakter opvallen in het buitenland. In 1998 krijgt De Poolse bruid een Golden Globe-nominatie. Deze film, gesitueerd in het Groningse Hogeland, wint internationale prijzen en krijgt een Australische remake. Nog een voorbeeld, maar dan van een heel ander kaliber: de Duitsers blijken in 2011 te kunnen bulderen om New kids turbo. Deze komedie schiet bij onze oosterburen in het eerste weekend zelfs naar de eerste plaats. De tagline benadrukte het lokale, Brabantse karakter: ‘Niemand fickt mit Maaskantje!’
 
Aan de andere kant zie je dat direct voor de internationale markt geproduceerde films hun soms hoge ambities niet waarmaken. Zelfs universele elementen zoals Engelse dialogen, Hollywoodsterren en actiescènes, bieden geen garantie voor succes. Films als Snapshots (met Burt Reynolds en Julie Christie), Claim (met Billy Zane) en Soul Assassin (met Skeet Ulrich en Kristy Swanson) verdwenen in het moeras der vergetelheid.
 
Wat ontbrak er aan deze films? Authenticiteit? Dat lijkt in ieder geval het magische ingrediënt. “De echte culturele identiteit zit in het authentieke en niet in het cliché”, stelt Pieter Verhoeff in de scriptie van Mirjam de With. Een clichéfilm zal niemand raken, maar een film over een uniek personage dat nog nooit eerder is gezien wel.” De With verwoordt het zelf zo: “Als je een verhaal vertelt dat zich afspeelt in de regio waar je vandaan komt, schrijf je niet over een of ander stereotype, maar bijvoorbeeld over je eigen tante.”
 
Even terug naar De beentjes van Sint-Hildegard. Ook in die film worden provinciale clichés vermeden. Hoewel Herman Finkers zijn scenario schreef in het Twents, de film de sfeer van de streek uitademt en de mensen zich ook gedragen als Tukkers, is het geen typische regiofilm.
 
Veel verhalen die zich buiten de Randstad afspelen hebben een agrarisch karakter of een historische setting. Finkers lijkt nadrukkelijk niet te kiezen voor provinciale nostalgie. Goed, hoofdpersoon Jan is in de film veearts. We zien hem zelfs een kalfje ter wereld brengen. Volgens Nijenhuis zou Finkers “er nu geen veearts meer van maken”. In de film wonen de hoofdpersonen in een stad, Enschede. Gedda heeft een goede baan bij de Universiteit Twente. De dokter die hem onderzoekt is een zwarte vrouw. Nadat Finkers merkte dat Nijenhuis een acteur die de rol van fietsenmaker speelde liet kleden in een overall en een geblokt shirt, riep hij protesterend: “Dat is een fietsenmaker uit 1960!”
 
Clichés heb je volgens Nijenhuis soms nodig voor de helderheid. In zijn romantische komedies gaat hij daar aanzienlijk verder in, al streeft hij ook dan naar een bepaalde mate van authenticiteit. Voor door hem geregisseerde film Verliefd op Cuba liep scenarioschrijver Annelouise Verboon-van Naerssen een paar weken rond op het eiland om de colour locale op te snuiven. Die elementen verwerkte ze in het script. Maar uiteindelijk weet je als kijker “dat iemand een dikke sigaar op gaat steken en dat er een oldtimer door het beeld rijdt”. De clichés horen bij het genre, maar ook een commerciële romcom heeft dus baat bij een piepklein scheutje authenticiteit.

Eigenlijk gaan de elementen die horen bij regiofilms ook op voor andere producties. Aandacht voor authenticiteit, het gebruiken van specifieke details, schrijven over een wereld die je kent: het zijn tamelijk algemene voorwaarden voor geslaagde verhalen. Zijn het wel die lokale elementen die een verhaal universeel maken? Als Jan Veldman gevraagd wordt wat hij vindt van de theorie van Verhoeff cs. reageert hij nuchter. “Ik weet niet of Pieter gelijk had. Universele thema’s heb je in alle genres.” Veldman heeft een punt. Science fiction-films die zich afspelen in fictieve werelden zijn overal ter wereld blockbusters en wie is er ooit op de planeet Tatooine geweest?
 
Glocalisme is een zeer fascinerend idee dat context geeft bij de (inter)nationale waardering voor bepaalde regionale verhalen. Maar het is zeker geen geheide succesformule, niet ‘lokaal = universeel’. Op de vraag of hij gelooft dat lokaliteit een film universeler maakt, antwoordt Nijenhuis bedachtzaam: “Meestal wel.” Maar daarbij vertelt hij ook dat de beoogde distributeur van De beentjes van Sint-Hildegard afhaakte, juist vanwege het Twents. Dat had alles te maken met de teleurstellende cijfers van andere dialectfilms, zoals Hemel op aarde en Gluckauf. Beide films zijn gesitueerd in Limburg. “Je ziet dat Hemel op aarde het daar heel goed deed, maar buiten de provincie nauwelijks. En dat ondanks de medewerking van bekende acteurs (Jeroen van Koningsbrugge, Lies Visschedijk).” De pers was lovend, dus je zou de thuisblijvers ongelijk kunnen geven, maar het is een feit dat sommige regiofilms vrijwel alleen lokaal scoren.
 
Waarom is De beentjes van Sint-Hildegard dan wel een landelijk succes? Toch door de Twente-touch? Of is het de Finkersfactor? Het project is aanvankelijk niet eens begonnen als regiofilm. Dat werd het pas nadat Finkers aangaf dat het een uitdaging was om het in het Twents te schrijven en te spelen. Nijenhuis wilde bovenal een relatiekomedie maken over vijftigplussers. “Omdat ik zelf vijftig plus ben.” Op aanraden van Pavel Mirek, een collega, bekeek hij de Tsjechische film Teori Tygra. Het verhaal prikkelde hem: “Terwijl ik keek was ik heel nieuwsgierig of dit huwelijk het wel zou redden.”
 
Herman Finkers zette het verhaal als scenarioschrijver naar zijn eigen hand. Dat had misschien niet eens zoveel te maken met de verschillen tussen Twente en Tsjechië. Volgens Nijenhuis leidt Finkers, die al jaren gelukkig getrouwd is, een heel ander leven dan de maker van het origineel, Radek Bajdar. “Die bezocht de première en was erg tevreden. Hij vertelde dat zijn vrouw na het zien van de oorspronkelijke film zei: ‘De volgende keer dat je iets wilt vertellen, kun je het ook op een briefje schrijven’. Die twee zijn dus niet meer bij elkaar.”
 
Als twee zulke verschillende mannen in twee verschillende landen een succesfilm maken rond hetzelfde gegeven, dan is het verhaal dat ze vertellen in ieder geval universeel.

Foto's: Maarten van Keller

,